De nieuwe leerkracht – Blogpost 15/08/2020

Het kind draagt in zich een ziel. Die ziel is de Godheid en bevat daarom alle kennis in zich.
‘Niets kan het denken onderwezen worden dat niet reeds als potentiële kennis op verborgen wijze aanwezig is in de zich ontvouwende ziel van het schepsel.’ Die kennis wordt van binnenuit verschaft door de ‘universele Onderrichter’ om het menselijk wezen, in deze zoals in zijn andere incarnaties, alle nodige ervaringen te laten doormaken voor zijn innerlijke groei, die uiteindelijk zal leiden tot de complete verwezenlijking van zijn ziel.

   

In de loop van het avontuur van zijn incarnaties wordt de mens door alle voor hem noodzakelijke belevenissen geleid en beschermt door de ziel. (Dit is de verklaring van het feit dat een zodanig kwetsbaar en onwetend menselijk wezen ondanks de steeds aanwezige gevaren van de wereld een hoge leeftijd kan bereiken – zoals het evengoed een verklaring is van een voortijdige dood.)
Daaruit volgen twee conclusies. De eerste: elk kind heeft zijn eigen evolutie achter zich, en door die eigen evolutie zijn eigen persoonlijkheid en ontwikkelingsritme, zodat geen enkele opvoedingsmethode algemeen toepasselijk kan zijn en elk kind individueel moet worden benaderd. De basisfeiten van de menselijke groei vragen om een opvoeding die in de hoogst mogelijke mate geïndividualiseerd is.
De tweede conclusie: de ware opvoeder is geen ‘meester’ in de zin van een quasi alwetende autoriteit, wie het op de koop toe door de samenleving vergund is met straf of fysiek geweld zijn wil en altijd beperkte kennis op te dringen. Hij moet een meester zijn in de geestelijke betekenis van het woord, om de innerlijke persoonlijkheid van zijn leerlingen te kunnen doorgronden en in hun ware noden te voorzien. Veelmeer dan een bazige gezagsdrager moet hij een begrijpende en geduldige begeleider zijn, zich bewust van zijn eigen mogelijkheden en beperkingen, om de kinderen, zijn jongere broers en zussen, op hun levenspad vooruit te helpen. ‘De grootste Meester is veel minder een Onderrichter dan een Aanwezigheid.’

Heel beknopt is dit de geest waarin ik een nieuwe school wil stichten. De belangrijkste zaak is dat het principe van opvoeding er een is van vrijheid. De vooruitgang die kinderen zullen maken, omdat ze er zelf de behoefte aan voelen, omdat het een drang is die hen spontaan vooruit drijft. En dus niet omdat het iets is dat hen als een verplichting wordt opgelegd – dat soort vooruitgang is, van het spirituele standpunt, oneindig groter (dan in het gewone onderwijs). Als er kinderen zijn die niet willen leren of die niet graag leren, dan hebben die het recht niet te leren. Maar het is dan wel de plicht van de opvoeder of begeleider het kind op de mogelijke gevolgen van zijn beslissing te wijzen. ‘Zichzelf leren zien, begrijpen en willen… Dat is het enige dat de nieuwe leerkracht met volharding moet doen. Kinderen leren zichzelf te kennen en hun levensbestemming te kiezen, de weg die ze zullen volgen. Je moet een heilige (dat heel betekend) en een held zijn om een goed leraar te zijn. Je moet je in de volmaakte innerlijke houding bevinden om van de anderen te kunnen eisen dat ze zich in een volmaakte innerlijke houding zouden bevinden. Je kunt van niemand verlangen wat je zelf niet doet.’[i]

‘We change the world by changing ourselves first.’

 

 

[i] Voorbij de mens, G. van Vreckhem, pg. 282, 283